De aftrap: 1200 kilometer per trein

IMG_2117

Maandagochtend, zeven over zes. Ik neem afscheid van mijn familie op het nog donkere station Delft Zuid. De sneeuw die een ruime week geleden in heel Nederland voor files en vertragingen zorgde, is in een recordtijd weggedooid. Waar ik heen ga, zal dat wel anders zijn.

Voor een reis van ruim 12 uur heb ik onhandig veel bagage bij me. Al op Rotterdam Centraal merk ik dat de zware koffer die ik tot Tartu met me mee zal zeulen mijn armspieren op de proef zal stellen. Daarnaast zijn mijn overstappen in Nederland lekker krap: zeven minuten in Rotterdam en drie minuten in Amersfoort op de trein die ik per se moét hebben. Dat wordt sprinten met gewicht.

Toch zit ik als de zon opkomt al in de IC 141, mijn trein richting Duitsland. In de trein wissel ik afscheidscadeaus af met mijn lieve vriendin, die speciaal voor mijn vertrek een boekje heeft samengesteld waar veel van mijn vrienden een stuk aan hebben bijgedragen, zonder dat ik ook maar iets doorhad. Het perfecte afscheidsgeschenk, maar ook een gevaarlijke potentiële bron van heimwee. Deventer passeert, gevolgd door Almelo en ten slotte Hengelo, waar Antine (mijn vriendin) uitstapt. Met een korte sprint check ik uit. De conducteur staat geduldig te wachten tot ik weer in de trein sta. ,,Dat is één van de nadelen van de OV-chipkaart’’, stelt hij. ,,Hij heeft zo zijn voordelen, maar ook veel nadelen…’’ De deuren sluiten, ik zwaai Antine uit en ga terug naar mijn plaats. Als ik zit  begint het me te dagen: ik ga weg. Alleen.

In Bad Bentheim wordt de vertrouwde gele NS-locomotief vervangen door zijn Duitse collega, die de trein zonder problemen door het besneeuwde Duitsland trekt. Via Oberhausen en Hannover stormt de trein naar Berlijn. Het valt me op hoe veel verlaten fabrieken en spoorlijnen er langs de route liggen. Ook lijken de Duitsers groot fan te zijn van geluidsschermen: overal langs de Neubaustrecke schermen lelijke groene wanden de bebouwing nauwkeurig af van de langsrazende trein. De uitgestrekte bossen en velden met herten en wildhutten zorgen voor wat afwisseling.

Tegen half één, als ik de door ‘moeder’ gesmeerde broodjes en een bak koffie heb verorberd, komt de trein aan in Berlin Spandau. Ik zie er weinig van. Geluidsschermen.

Om kwart over één komt de intercity soepel tot stilstand in het diepe gedeelte van Berlin Hauptbahnhof. Drie roltrappen hoger kan ik door de glazen gevel de koepel van de Reichstag zien glanzen in de zon. Vanuit de koepel heb je een prachtig uitzicht over de Brandenburger Tör en de stad.

Vanaf Berlin Hauptbahnhof vertrek ik met de Berlin-Warszawa Express naar Polen. Ik raak aan de praat met een Poolse uitwisselingsstudente, op weg naar haar Universiteit in Frankfurt a/d Oder. Ze woont in Berlijn, want ,,Frankfurt is ontzettend saai’’, vertelt ze. ,,Je hebt er geen ‘kneipe’ en clubs, eigenlijk is er nauwelijks een uitgaansleven zoals in Berlin. Veel studenten aan de Universiteit hebben er wel vijftig minuten reistijd voor over om in Berlin te gaan wonen. Het is daar veel multicultureler en gezelliger.’’

In Frankfurt a/d Oder verlaat mijn medereizigster de coupé. Frankfurt betekent ook grens. En daarmee: einde ‘bekend’ gebied. In Polen ben ik nog nooit geweest, en eerlijk gezegd wist ik niet wat ik ervan moest verwachten. Mijn eerste kennismaking met Polen weinig indrukwekkend: veel lege ruimte, verwaarloosde stations en vooral veel sneeuw. Bij elke spoorwegovergang in the middle of nowhere remt de trein toeterend af.  Ergens bij Poznan, vanaf het spoor gezien een treurige industriestad, passeerde ik een stoomlocomotief.

Na Poznan is het donker. Af en toe schuift er een verzameling lichtjes langs het raam. Ik heb inmiddels weer gezelschap gekregen, maar mijn twee coupégenotes praatten al tweeënhalf uur onafgebroken Pools. Mijn pogingen het gesprek te volgen moest ik na een kwartier al staken: ik versta er niets van.

Met een half uur vertraging glijdt de trein een mistig Warschau binnen. Op het station word ik bij het pinautomaat aangesproken door een tweetal Polen met een zware dranklucht om zich heen. Of ik geld voor bier heb, vraagt een van de twee eerlijk. Een andere Pool jaagt ze weg. ,,They´re not dangerous, not here. But don’t give ‘em money.’’

Buiten op straat blijkt Warschau overdekt met een deken van mist. Op het eerste gezicht lijkt de stad op andere grote steden: ik passeer een H&M, Mark & Spencers, C&A. Lichtreclames stralen een bizarre gloed uit over de straten, grote flatgebouwen duiken op vanuit het niets. Ik heb gelukkig mijn koffer in een kluis op het station gelaten (12 zl), dus kan ik backpackerstyle de straten op, maar door de mist is het maar gissen waar ik heen moet. Na wat dwalen en vragen kwam ik uiteindelijk bij het Oki Doki hostel aan. Twee nachten voor 72 zloty, ongeveer twintig euro dus. Plus gratis WiFi. Niet slecht!

Morgen ga ik maar eens de toerist uithangen en Warschau verkennen.

This slideshow requires JavaScript.