Vroeg

Mijn wekker scheurde me om kwart voor zes uur ‘s ochtends uit mijn slaap. Vandaag is het tijd voor etappe twee van mijn Tour of the East. Ik verzamel mijn zooi, check uit en stap de koude buitenlucht in. Opvallend veel mensen lopen al over de straat. Her en der verzamelen allerlei verlopen mannen bij verwaarloosd uitziende busjes. Ik loop langs fel verlichte wolkenkrabbers en  baan me een weg door de tunnels onder het station, op naar de kluisjes om de rolkoffer die ik daar maandagavond in had geplaatst op te pikken. Bij de kluisjes zit ik met een probleem: de automaten accepteren alleen munten van 1, 2 en 5 zloty. Ik heb alleen maar lullige muntjes van 50 zlotycent en minder, aangevuld met wat briefjes van 10 zloty. Dat wordt een bedelrondje, anders zit ik straks zonder kleren.

P 10011 HANCZA van Warszawa Zachodnia naar Sestokai.

Een koffiebar wilde wel wat geld met me wisselen. Met handen vol 5 zloty-muntjes keer ik terug naar de kluisjes. Ik ben het apparaat nog 24 zloty schuldig, voor de afgelopen 48 uur. Een voor een schieten de muntjes de machine in, maar als ik naar de display kijk, blijft die steken op 18 zloty, hoeveel muntjes ik er ook in doe. Na een paar harde trappen, te veel zloty’s en veel geduld wil het apparaat uiteindelijk mijn bagage vrijlaten. Ook een manier om van je zloty’s af te komen.

Vandaag zal ik een groot deel van de dag doorbrengen in de trein. Ik heb een plaatsje gereserveerd in de D-trein 10011 ‘HANCZA’ naar Sestokai in Litouwen. Vanaf daar vertrek ik naar Kaunas, waar ik tenslotte overstap op de trein naar Vilnius. Het is een wat omslachtige weg van ruim 520 kilometer, maar op deze manier blijf ik wel binnen de EU. De snelste route is duur: voor Minsk of Kalingrad moet je door een hoop papierwerk heen om een visum te krijgen.

Hieronder is te zien waarom: de grens tussen Litouwen en Polen is misschien honderd kilometer lang, links en rechts begrenst door Rusland en Wit-Rusland.

Precies op tijd rolt een lange trein het station binnen. Mijn wagon is een ietwat bejaarde, maar comfortabele bak. Precies op tijd vertrekt de trein vanaf Warszawa Centralna. De donkere stad glijdt langzaam aan het raam voorbij.

Al snel begint het erg warm en benauwd in de coupe te worden. Een van mijn coupegenoten draait aan het knopje van de verwarming: kapot. Terwijl het buiten -2 is, begint de temperatuur in de wagon op te lopen. Ruim buiten Warszawa trekken de eerste medepassagiers hun dikke truien uit. Een half uur later gaat de deur open. Weer een half uur later zit iedereen in zijn T-shirt, terwijl het raam open staat. Met ruim honderd kilometer per uur stroomt de ijskoude lucht de wagon binnen. Het helpt niet. Zwetend ga ik naar de zijgang, om daar uit het raam te hangen. De warme lucht trilt als de hitte het raam uitstroomt: het moet minstens 25 graden zijn. Rare ervaring: mijn hoofd wordt zowat gestraald door de ijskoude buitenlucht terwijl mijn middenrif verschroeit door de gloeiende verwarming.

Toch drukt het de sfeer in de coupe niet. Twee Poolse studenten knopen een praatje met me aan, de Poolse oma’tjes in de coupe babbelen er vrolijk op los. Een van de Poolse studenten is ooit eens naar Amsterdam gelift, garantie voor een hoop verhalen en het uitwisselen van vooroordelen. We wisselen wat eten uit en praten zowat de hele rit door.

In Bialystok moet er van locomotief gewisseld worden: na deze stad is er geen bovenleiding meer. Volgens de student zijn we nu onderweg naar de ‘laatste stad in het Oosten’, Suwalki, het eindpunt voor hem en zijn vriendin. Ze gaan zijn moeder bezoeken, die hij al acht maanden niet heeft gezien: ze werkte in Duitsland. “She makes long days in an elderly peoples home, but it is good money though.”

Langs het raam passeren uitgestrekte bossen. De diesellocomotief brult over het “kedeng-kedeng”-spoor. Ook hier heeft het gedooid, het land staat vol met bevroren water. Overal ontstaan kleine riviertjes. Dat krijg je nou eenmaal als 30 cm sneeuw aan het wegdooien is.

Tegen twaalf uur stopt de trein in Suwalki, een lelijke industriestad van 70.000 inwoners in een groene vallei. Op dit station moet de locomotief omlopen. Van de eens zo lange trein zijn nog maar vier wagons over, waar in totaal nog zo’n negen reizigers in zitten.

Het laatste stukje naar Litouwen gaat langzaam. De trein slingert zich door heuvelachtig niemandsland waar nauwelijks wat beweegt of groeit. Bruine velden en grauwe bossen tot aan de horizon.

Een nieuwe wereld, onverkend terrein

Tegen één uur passeert de trein de Litouwse grens, en daarmee beland ik ook in een andere tijdzone. Op station Sestokai moet ik overstappen. Het Europese normaalspoor gaat hier over in het Russische breedspoor, een erfenis van de Sovjetoverheersing. Een bizar grote conducteur met een hoog stemmetje wijst me in een raar Duits erop dat ik mijn bagage in de rekken moet doen.

De trein bokt over het spoor en op de keiharde banken zit ik niet bepaald comfortabel. De trein vult zich met bosarbeiders die naar drank ruiken, een meisje met een bizar diepe inkijk, een stel hipsters en wat militairen. Niemand zegt wat. Dan waren die Polen een stuk gezelliger.

Buiten wordt het landschap nog lelijker: vervallen houten huizen worden afgewisseld door grote graansilo’s en grauwe akkers. Bij Kaunas beginnen de steden mooier te worden, maar al snel wordt het te donker om nog wat te zien. Een hypermoderne dubbeldekker brengt me naar Vilnius, waar ik op het station de vervaarlijk uitziende zwervers probeer te ontwijken terwijl ik op zoek ben naar de bagagekluisjes. Even vergeten: hier hebben ze natuurlijk weer een andere valuta, de Lita, ongeveer 34 eurocent waard. Dus nu moet ik weer geld gaan halen. Na een hoop heen en weer geloop heb ik uiteindelijk mijn koffer in een kluis: op naar het hostel.

Jimmy Jump House

Na een hoop zoeken en een aantal keer vragen kom ik uiteindelijk bij een klein deurtje in een binnenplaats uit. “Backpackers ring the bell”: dit is het Jimmy Jump House. Door een ondergespoten gangetje kom ik boven aan. Het ‘gastmeisje’ kijkt geschokt naar mijn smerige schoenen als ik binnen kom klossen. Schoenen moeten bij de deur uitgedaan worden.

Voor 35 lt (ongeveer 8 euro) krijg ik een bed en kan ik na een snelle douche half dood neervallen op de bank. Lang kan ik er niet in coma liggen: de andere hostelgasten trekken me al snel het gesprek in. In het hostel blijkt een verzamelingetje Nederlanders uit Utrecht te zijn neergestreken, waaronder één zesdejaars student Journalistiek. Lekker, even Nederlands spreken. Lang blijft het niet rustig. Nu ik er toch ben, moét ik zowat mee uit. Maar eerst aan de vodka. Een Canadese trekt een fles kruidenbitter uit Riga open en het ‘gastmeisje’ haalt er voor de sfeer even een AK 47 bij, terwijl in de woonkamer de film ‘Hostel’ opstaat. Rare ervaring.

Met een groep van negen jongens gaan uiteindelijk we het Litouwse nachtleven te lijf. We zoeken ons suf naar leuke tenten, dingen hard af bij de deur, geven rondjes van het slechte lokale bier (minder dan twee euro per halve liter) en moeten uitkijken op de spekgladde straten. Een van de jongens is vastbesloten een van de lokale (bloedmooie) meisjes mee te nemen. Hij loopt van Litouwse naar Litouwse, maar echt lukken wil het niet. Dansen ja, aanraken ja, maar meer? “Ja, ze hebben ineens allemaal een vriend”, merkt hij op.

This slideshow requires JavaScript.