Betonnen giganten, militaire trucks en rondspringende gidsen

Zaterdag vertrok ik voor een nachtje naar Tallinn, de hoofdstad van Estland. Het is een aardige rit met de bus, dus om half zes die ochtend sta ik naast mijn bed. Ik neem een douche en ben op tijd om mijn huisgenoten te begroeten, die net terugkomen van een feestje ergens in de stad.

Vannacht is het -15 graden Celsius geweest, en dat is te merken. Als ik om kwart over zes bij het busstation aankom staan een paar reizigers kleumend te wachten. Een dronken student waggelt nog wat rond de twee bussen langs de perrons. Met handen- en voetentaal leg ik de buschauffeur uit dat ik mee wil. Even later brengt de SEBE-expresbus me zonder tussenstops naar Tallinn, een rit van ruim tweeënhalf uur. Het is donker en bewolkt en na een ruim half uur aanrommelen met de WiFi in de bus en staren naar de voorbijglijdende bossen, val ik in slaap.

IMG_3021

Tegen negen uur schommelt de bus Tallinn binnen. Meteen is te zien dat we met een veel grotere stad zijn: vierbaanswegen, veel verkeer, hoogbouw, bedrijventerreinen, trams en trolleybussen. Vanaf het Tallinna Bussijaam is het volgens Google Maps ruim een half uur lopen naar het hostel waar mijn huisgenoten uit Tartu zitten, dus ik neem de tram. Als ik instap, zie ik nergens een plek waar ik een kaartje kan kopen. Voor me leggen twee oude vrouwtjes geld in een kantelbakje in de wand van het bestuurdershokje en kieperen een paar euro naar binnen. Zo werkt dat dus blijkbaar.

Ik besluit het ook maar te proberen. Volgens de tabel op de muur kost een studentenkaartje tachtig cent. Ik heb niet kleiner dan vijf euro, dus ik kantel dat briefje dan maar naar binnen. Verstoord kijkt de bestuurster om en doet de deur open. “Üliõpilane”, lach ik vriendelijk. “Õpilane?”, bromt ze met een zware, achterdochtige stem. “Jah”. Met een zucht draait ze zich om naar het geldbakje en begint het wisselgeld te verzamelen, terwijl ze af en toe een blik op het tramspoor werpt. Met een klap komt het kaartje samen met het wisselgeld weer naar mijn kant van de deur.

Tien minuten later kom ik aan op mijn halte, op de Viru väljak, vlak voor de oude stadspoort. De tram stopt midden op de drukke weg, de deuren gaan open. Meerdere oude vrouwtjes schuifelen de weg op en lopen tussen de auto’s door naar de stoep. Zo werkt dat dus blijkbaar.

Dicht

Na wat zoeken vindt ik dan uiteindelijk de ingang van het Dancin Eesti Hostel: een deurbel met camera bij een goed vervallen deur. Hoe vaak ik ook op de deurbel druk, niemand doet open. Niet heel raar, om kwart voor tien ’s ochtends.

Via het altijd aanwezige WiFi probeer ik mijn maten wakker te What’sappen. Tevergeefs. Als ik om half elf besluit het nog maar eens aan de deur te proberen, wordt er wel open gedaan. Zonder al te veel problemen leidt de beheerder me door het uitgestorven en rommelige hostel mij de kamer van mijn huisgenoten. Tere Hommikust!

Tallinn: vele eeuwen bezet terrein

Samen met hen ga ik de stad in, op naar de Free Walking Tour! Met een verse bak koffie in de hand volgen we onze gids, Heli, voor een anderhalf uur lang durende rondleiding door de binnenstad. Bij elk monument wordt er wel een anekdote over een bezetter bijgehaald. Met veel sarcasme en theatrale bewegingen praat Heli ons door de eeuwen heen. Conclusie: eigenlijk is Tallinn geen echte Estse stad. Tal-linn is Ests voor ‘Deense Stad’. Tallinn is ooit ontstaan als houten fort van de lokale ‘heidenen’, maar groeide door de Deense, Duitse, Zweedse en Russische bezetters en handelslieden uit tot een belangrijke handelsstad. Op 24 februari 1918 verklaarde Estland en daarmee Tallinn, zichzelf onafhankelijk. Na een twee jaar durende onafhankelijkheidsstrijd was de eerste Estse Republiek een feit. Maar de pret duurde niet lang: de Tweede Wereldoorlog bracht opnieuw bezetters met zich mee. Eerst de Russen, toen de Duitsers, toen weer de Russen. Tot 20 augustus 1991, de officiële tweede onafhankelijkheidsdag van Estland.

Heli (rechts, gele muts) doet haar ding

Heli (rechts, gele muts) doet haar ding

Het trouwens de Russen die een deel van de stad in as legden, waaronder de grote St. Nicolas Kirik. Gek genoeg besloten de Sovjets de kerk te herbouwen, maar nu als museum van Atheïsme. De kerk speelde daarnaast nog eens een rol in een bizar spionageverhaal (boze Britse agenten zouden het gebouw in brand hebben gestoken) en werd nog een paar keer geraakt door de bliksem.

Heli leidt ons langs nog meer kerken en gebouwen. Zo blijkt Tallinn ook een bizar hoge kerktoren te hebben, namelijk de St. Olav’s kerktoren van 124 meter. Daarmee overstijgt hij al de Utrechtse Dom, maar vroeger was deze toren zelfs 159 meter hoog. De toren was bedoeld als baken voor schepen, maar nadat de toren drie keer uitbrandde door blikseminslag, besloten de Esten hem maar wat lager te maken. Desondanks zal je er best een mooi uitzicht vanaf hebben, al is de toren in de winter helaas dicht. Daarnaast wijst onze gids ons ook ‘s werelds oudste nog in gebruik zijnde apotheek, de beste barretjes, de Russische markt (waar jarenlang AK47’s voor ‘aan de muur’ waren te krijgen) en restaurants. Zelf lopen we nog even naar de Oostzeekust, waar we de gigantische verlaten betonnen Tallinn Linnahal beklimmen, dat vroeger de V. I. Lenin Palace of Culture and Sport heette. Het werd gebouwd voor de 22th Summer Olympic Games in 1980 in Moskou, maar tegenwoordig weet Tallinn eigenlijk niet wat het met het enorme (lelijke) bouwsel aanmoet.

In de avond bezoeken we nog even wat café’s en bars. Als we vanuit ons hostel de Viru-straat oplopen, stuiten we op een onafzienbare rij militaire trucks, pantserwagens en jeeps. Morgen, 24 februari, is het de Estse nationale eerste onafhankelijkheidsdag, een dag met parades en toespraken. Blijkbaar is het Estse leger al naar de stad gekomen om even te oefenen voor morgen.

Wij drinken eerst even een biertje. Op Estland!

This slideshow requires JavaScript.