Met acht man naar Riga, dat kan nooit goed gaan. Toch deden we het, want Julian en Lucas zouden ons gaan verlaten, terug naar Nederland. Reden voor een afscheidstrip. Met twee Duitsers, een Amerikaan en vijf Nederlanders.

Grouppic

Over Riga heb ik al veel verteld, dus ik vertel hier alléén de dingen die ik nog niet eerder verteld heb.

Op dag één gingen we met zijn allen met de trein naar Riga. Best gezellig, maar er zaten twee kinderen enorm te krijsen in de trein. Helaas gingen ze er pas bij Valga uit. In Riga was hostel Cinnamon Sally voor twee dagen ons thuis: een gezellig hostel, met als belangrijkste pluspunten de loungeroom en het uit wafels bestaande ontbijt. Zat één etage onder het hostel waar ik vorige keer met Antine zat. De avond brachten we rond op en rond de vele terrassen in de stad. Het was een dinsdag, dus de terrassen en bars waren bijna leeg.

PanCars II – on the road again

De jongens waren zo enthousiast over de Pancars dat ik via Imants voor de groep een drietal Fiats 126 huurde om een dag mee rond te toeren. Foto’s!

This slideshow requires JavaScript.

De hoogtepunten waren wel de handbediende pont over de Gauja en het bezoek aan het kasteel van Cesis. Vooral dat laatste was mooi, waarbij we met acht man en drie kleine autootjes door één man en de stroming van de rivier naar de overkant werden gevaren. In het kasteel van Cesis konden we zelf met een lantaarn het kasteel verkennen. Prachtig.

Terug naar Tartu, gratis

Op de laatste dag trokken de Duitsers verder Letland in, drie anderen vertrokken per trein terug naar Tartu, twee bleven in Riga en zouden de volgende dag naar Nederland vliegen. Ik liep nog even met Julian en Lucas mee met de Free City Tour, maar dit keer was die een stuk minder boeiend dan de vorige keer. Halverwege besloot ik te vertrekken. Ik zou gaan liften, terug naar Tartu. Want gratis en voor het avontuur. Met een stadsbus vertrok ik naar de rand van de stad, waar ik bij een Mc Drive langs de weg ging staan, vlak voor de oprit naar de A2.

Ik stond er nauwelijks tien minuten toen ik werd opgepikt door een Let die op weg was naar zijn geboorteplaats. Hoewel hij woonde in Riga, was hij onderweg naar zijn zomerhuisje bij de kust om een week lang het midzomernachtsfeest te vieren. “Man, je kán eigenlijk niet uit Letland vertrekken nu deze week begint. Die suffe Esten vieren het maar één dag. Wij zijn een week bezig, het wordt té gek in Riga!” Zelf zou hij het vieren met vrienden. “Ik vul gewoon mijn hele huis en dan gaan we zwemmen, in de sauna, muziek maken en drinken.” Klinkt prima, maar ik moést echt naar Tartu.

Met 120 kilometer per uur reden we over de A2, richting Estland en Rusland. De eigenlijke maximumsnelheid in Letland is 90 kilometer per uur, vertelde mijn bestuurder. “Maar de politie controleert hier niet onder de 110 kilometer per uur”, vertelde hij. “En daarboven moet je met de kwaliteit van onze wegen eigenlijk ook niet harder willen rijden…” Op dat moment scheurde er een BMW knalhard over de rechter rijbaan voorbij. “Die koopt waarschijnlijk de politie om. De snelwegpolitie wordt hier zo slecht betaald dat het heel makkelijk is om ze om te kopen”, merkt de man op. “Ik heb het maar één keer gedaan, ik ben er principieel tegen. Maar soms is het gewoon sneller dan wachten op je boete.”

This slideshow requires JavaScript.

Uiteindelijk zette hij me voorbij Sigulda op een landweggetje naar de A3 af, vlakbij Turaida. Stond ik dan, in de stralende zon. Kon slechter, voor een paar uur rijden. Na ongeveer een half uur werd ik opgepikt door een Letse vrouw die nauwelijks Engels sprak. Zij kon mij een klein stuk verderop brengen, naar Inciems. En daar was mijn geluk op. Een ruim uur stond ik er langs de weg, op een plek nét achter wegwerkzaamheden. Ik bleef totdat ik er een lokale bus naar een stad verderop kon nemen voor een paar Lats. Ondanks het prachtige uitzicht viel ik in slaap, totdat de bus bij Valmiera de weg af ging. Het was al zes uur en ik moest nog zeker 140 kilometer liften naar Tartu. In een winkelcentrum vroeg ik om een kaart om een liftplek uit te zoeken. Ik liep door het plaatsje naar mijn eerste ‘spot’. Geen succes. Ik stond er bijna een uur en niemand stopte, ik werd alleen maar nijdig aangekeken. Ik liep naar mijn tweede plek, maar ook dat was geen succes. Er was nauwelijks verkeer meer dat de stad uit moest, en de enige die echt aandacht aan me besteedde was een hond die onvermoeibaar tegen me blafte. Toen een stuk verderop nóg een lifter bleek te staan, werd ik een beetje wanhopig: het liep al tegen half negen en ik was nog steeds in Letland.  Pas toen hij werd opgepikt, had ik geluk: een Estse professor op weg naar Tartu had nog wel een plek in zijn auto over om mij mee te nemen.

Hij bleek alleen wat rechtse sympathieën te hebben. Hij was een fel tegenstander van immigratie, want dat zou alleen maar voor problemen zorgen, en hij hoorde mij uit over de situatie in Nederland. Dacht ik dat daar ook rassenoorlogen zouden ontstaan? Zijn mooiste uitspraak was wel “Het was natuurlijk verschrikkelijk wat hij deed, maar ik denk dat Anders Breivik in de toekomst als een held wordt gezien. Hij schoot 77 Noorse arabieren dood, en maakte daarmee een statement.” Tja, daar zit je dan bijna twee uur mee in de auto.

De route was trouwens wel mooi: de heuvelachtige velden voorbij Valga waren bedekt met een lage nevel, in de wijde omtrek was niemand te zien. Terwijl we daar reden, zakte de zon achter de kleine heuveltjes. Langs de weg probeerde een oud omaatje haar bloemen te slijten, zelfs nu nog, in de schemering.

Gelukkig was mijn Estse neo-nazi-chauffeur wel zo vriendelijk om mij af te zetten bij Raatuse. Het was bijna elf uur en bijna donker. Ik was weer thuis.