Sibiu is leuk, maar geen stad waar je meer dan een dag of twee rond kan hangen. In het Felinarul-hostel vertelde de host ons over de verschillende gebergten rond het Transsylvanische stadje, de verschillende wandelroutes in het gebied en de gevaren. We wilden écht heel graag de bergen in, dus we lieten ons uitgebreid voorlichten over beren, wolven en lynxen, het onvoorspelbare weer in de regio en de toestand van de hutten.

Liftcultuur

Uiteindelijk besloten we vanaf het dorpje Porumbacu de Jos naar de Cabana Negoiu te gaan, een berghut op de flank van de Negoiu. Vanaf daar wilden we een dagtochten lopen. Volgens de eigenaar van het hostel heeft Sibiu een lifters-cultuur, dus moest het geen probleem zijn om de drieëndertig kilometer naar het dorpje te liften.

CIMG8115Het was druk op de liftersplek: een paar mannen, een paar backpackers en twee wat sletterig geklede meisjes stonden met hun hand op langs de weg. Wij werden na een half uur opgepikt door een minibusje dat een onofficiële lijndienst reed. De bestuurder vroeg geen bedrag: hij nam gewoon aan wat we gaven. Hij sprak een paar woorden Engels, maar toen hij samen met een enthousiast oud mannetje in de bus ontdekte dat we naar de bergen wilde, wilde hij ons wel achter Porumbacu de Jos afzetten. Vanaf daar moesten we te voet verder.

Het was vier uur toen we door het bijna verlaten dorpje Porumbacu de Sus liepen. Een klein autootje stopte, een oudere vent stapte uit. Hij brabbelde wat in het Roemeens. “Sorry, we don’t speak Romanian. Do you speak English, Francais, Deutsch, Russki?” “Where are you going?”, vroeg de Roemeen. “Cabana Negoiu!” “Foolish, Foolish!”, riep de man uit. We snapten hem niet helemaal, dus na wat beleefde knikjes vervolgden we onze weg. We moesten nog zeker vier uur lopen, en het weer werd er echt niet beter op.

This slideshow requires JavaScript.

Een halve kilometer verderop stopte het autootje naast ons. “Come on, get in, we bring you to Negoiu”, klonk het. Onze tassen werden achterin gepropt, wij vonden een plaatje op de achterbank. Van de vrouw kregen we een traditioneel rouwbrood (een brood dat wordt doorgegeven na de dood van een bekende). Halvewege stapte de vrouw uit en mocht een van ons voorin komen zitten. Ik nam plaats op de bijrijdersstoel, maar het was duidelijk dat onze bestuurder liever Antine voorin had gehad. Daarnaast had hij duidelijk gedronken. Hij dronk praktisch onze hele watervoorraad op om een beetje nuchter te worden. Toen ik mijn gordel om wou doen, liet hij weten dat dat niet nodig was, ook al reden we langzamerhand over steeds smallere weggetjes over steeds steilere afgronden… Voor de rest was het een gezellige vent, hij praatte honderduit over zijn thuisstad Bucharesti en over hoe geweldig het hier was in de bergen.

Nog een flink eind voor het einde van de weg zette hij er ons bij een bron uit. We namen snel een foto en zeiden onze liftgever vaarwel. We liepen in stug tempo de helling op. Het pad werd steeds smaller en steeds steiler. De grijze hemel werd donkerder en  tegen zeven uur kwamen we eindelijk bij de herberg. Binnen werden we hartelijk ontvangen, maar er werd een beetje raar gereageerd dat we voor de goedkoopste accommodatie kozen, zonder eten en zonder dekens. Dat bleek ook niet zo’n goede keuze: de matrassen zaten onder de vlekken en zaten vol gaten. De zolder was nogal tochtig. Uiteindelijk besloten we toch meer te betalen voor een tweepersoonskamer, waar we tenminste wel warm zouden slapen. Samen met een jong Roemeens stelletje warmden we twee tonijn en groente op boven een vuurtje, terwijl we naar de sterren keken. In de verte hoorden we herdershonden blaffen: eindelijk was ik weer écht buiten.

Op pad

De volgende ochtend kwamen we niet helemaal geweldig uit ons bed. We wilden eerst met het Roemeense stel op pad, maar zij deden er nogal lang over om op pad te gaan. Uiteindelijk kozen we zelf een route, op naar de top.

This slideshow requires JavaScript.

Het pad was niet geweldig: het was overgroeid door kleine struiken en erg glibberig door de dauw, maar het was te doen. Terwijl we op weg waren naar de top die we wilden halen, trok de boel dicht: opeens doken er overal wolken op. Toen we minder dan dertig meter konden zien, keerden we terug: het gebied is té onvoorspelbaar en er was onweer voorspeld.

Beneden leek het weer wel mee te vallen. We besloten nog even door te steken naar een beekje om ons te wassen. We werden helaas een stuk natter dan we hadden verwacht: toen we er eenmaal waren, barstte uit het niets het onweer boven ons los. Helemaal doorweekt kwamen we terug in de herberg, waar we er achter kwamen dat we niet genoeg geld bij ons hadden voor een kamer, zodat we tóch op die zolder zouden moeten zitten.

De dame die de herberg runde, had medelijden met het verzopen meisje dat Antine geworden was: drijfnat en koud. We kregen voor 50 lei een warme tweepersoons kamer in de herberg. ‘s nachts droogden we onze kleding bij het vuur. Onze sokken overleefden het niet: ze waren een beetje té warm geworden.

Terugweg

De terugweg verliep voorspoedig: om zeven uur vertrokken we uit de herberg, om tien uur ‘s middags waren we beneden, tegen elf uur waren we Porumbacu de Sus weer gepasseerd. Terwijl we doorliepen, werden we opgepikt door een Roemeen in een dikke Toyota Landcruiser. “There are no buses here, so we like to help people. It’s a bit of culture”, aldus de beer van een vent. Hij vertelde dat er een paar dagen terug in het gebied nog iemand door een beer was gedood in het gebied iets ten oosten van hier, maar dat het over het algemeen qua ‘berengeweld’ wel meeviel. Het slachtoffer was in dit geval een stroper die het dier uit een bereval had geprobeerd te halen, nadat het daar drie dagen in had gezeten. “Logisch dat je dan het eerste op twee voeten aanvalt”, vond onze bestuurder. “Maar volgens de Roemeense wet moet de beer nu wel worden afgemaakt.”

Hij zette ons af in Porumbacu de Jos, vanwaar we een lift kregen van een Roemeen die geen enkel woord Engels sprak. Het gesprek viel al snel stil, maar hij bracht ons met een noodgang naar Sibiu: om We hadden zelfs nog tijd om even langs het hostel te gaan om even snel te douchen voordat we de trein van half vier naar Bucuresti zouden nemen. Helaas moesten we daarvoor wel vijf lei betalen: volgens de hosteleigenaar was het geen doen om mensen die niet overnachtten wel te laten douchen. Beetje gierig.

To Bucuresti

This slideshow requires JavaScript.

Met een paar minuten vertraging vertrok de intercity voor de zes uur durende en iets meer dan driehonderd kilometer lange reis naar Bucuresti Gara Nord. We waren kapot. Antine had met een indrukwekkende sprint nog nét een paar broodjes gehaald voor onze lunch.

De trein reed een stuk sneller dan onze vorige en zat ook een stuk beter, al was het binnen wel erg warm. De route leidde langs Brasov (we zagen zelfs nog even het lelijke ‘Brasov’-Hollywood-sign) dwars door de Karpaten naar Ploiesti en Bucuresti. Op naar Roemeense hoofdstad!

Ook de Roemeense bergen in? Dan hier een paar tips:

– vraag voor vertrek bij locals na hoe de toestand van het gebied en het weer is. In herbergen is dat vaak wel bekend. Laat in de herbergen ook weten waar je heen gaat en of je nog denkt terug te komen op die dag, er zijn meestal rescue-teams van ervaren bergbeklimmers in de hutten aanwezig. Het weer in de Neguio kan erg wisselvallig zijn.

– vraag ook voor vertrek na of er recent beren zijn gezien in het gebergte en hou rekening met hun cyclus. In het eind van de zomer en de herfst zijn ze gevaarlijk, in de lente eten ze eigenlijk alleen noten en bessen. Lees je in.

– Let op herdershonden. Draai je niet van hen af en wacht tot de herder naar je toe komt.

– Hygiëne is over het algemeen oké, maar niet ideaal. Denk om vlooien

– Leer wat woorden Roemeens: de Roemenen in hutten spreken nauwelijks Engels, soms wat woordjes Frans en Duits.