Byebye Beograd

Op 20 juli hielden we het voor gezien in Belgrado, de Servische hoofdstad aan de Sava. Het werd tijd om eens wat minder drukke steden en omgevingen op te zoeken. Tijd voor hogere oorden en oude steden. Tijd voor Kotor, Montenegro.

We kochten bij de Wasteels twee reserveringen voor de enige dagtrein Belgrado-Bar (Montenegro), de IC ‘Tara‘, naar de rivier die zich dwars door het Montegrijnse gebergte slingert. Vijf wagons en één autotransportwagon stonden ‘s ochtends vroeg al langs het perron van Belgrado op ons te wachten. We hadden mazzel: we bleken twee plaatsen te hebben geboekt in een oude 1e klas wagon, dus met verstelbare stoelen en lekker veel beenruimte. Geen overbodige luxe voor de lange treinreis die ons te wachten stond.

Met veel gepiep en gekraak kroop dan om tien over negen ‘s ochtends de trein door de overgroeide wisselstraten van het station Београд. Het was nog lekker koel en een fijn windje kwam door het half geopende raam naar binnen. Ik dommelde na laatste voorsteden van Belgrado weg. Een half uur later werd ik weer wakker omdat de trein vanuit een tunnel het Servische platteland inreed. Het deed allemaal vrij vervallen, maar erg groen aan. Hooibergen, paard en wagens, oude auto’s maar ook grote nieuwe villa’s: geen saai uitzicht.

Rond één uur waren we Uzice, de laatste grote Servische stad gepasseerd. Op het station van Uzice (tegen de 79.000 inwoners) passeerden we een brak treintje van één lokomotief en twee verwaarloosde wagons de andere kant op, terwijl een grote groep mensen zich in de trein probeerde te proppen. Op naar de Bosnische grens.

 

Drie landen, 430 bruggen en 260 tunnels binnen 476 kilometer

De Bosnische grens ja, want op de bijna elf uur durende rit, komt de trein door drie landen: Servië, Montenegro en een héél klein stukje Bosnië. Er wordt niet gestopt, maar toch. Op zijn elf uur gaat de rit trouwens door zo’n 260 tunnels en zo’n 430 bruggen op een afstand van 476 kilometer en worden de passagiers minstens twee keer door de douane gecheckt en moet de trein een hoogteverschil van zo’n 1000 meter overbruggen, met af en toe hellingpercentages van 25 promille. Vanuit je raampje kijk je recht het ravijn in. Ooit kostte de rit ‘slechts’ zeven uur, maar door de slechte onderhoudsstaat van vooral het Servische deel, rijdt de trein af en toe zo’n twintig tot veertig kilometer per uur. Een bizarre spoorlijn dus. Maar, al deze cijfers verpesten de hele reisexperience. Bekijk de foto’s en beslis zelf.

Na een lange rit door de bergen en door het laagland achter de hoofdstad Podgorica kreeg de trein eindelijk snelheid. Lawaaiig scheurde de trein door de meren van Skadar (Skadarsko Jezero, waar zelfs pelikanen zouden leven) hadden we mooi zicht op de Adriatische zee in de schemering. We waren dan eindelijk bijna in Sutomore. Ineens stond de trein stil: Sutomore. Vanuit het raam zag je niets anders dan een klein gebouwtje dat uitkeek op een badplaats, maar dit was dan echt het station. We stapten snel uit, sleepten onze tassen op het ‘perron’ en zorgden dat we naar de bus kwamen. Met onze laatste euro’s kregen we een plaatsje achterin een warme, volle en belabberd verende minibus naar Kotor, die absoluut niet op het busschema stond. Ach ja.

Vanuit het raam zagen de de nacht pikzwart worden en de maan boven de zee uitkomen. Nog ruim een uur in die hete minibus zorgde ervoor dat ik alsnog bijna in slaap viel.

Uiteindelijk waren we dan in het doodstille Kotor. Een man op een scooter kwam ons een hostel aanbieden, maar wij waren al voorzien. Hij wees ons keurig het hostel en scooterde weer weg. Ons hostel, het Montenegro Hostel 4U, kon bijna niet beter liggen: vanuit je raam sprong je nét niet het water in. Tijd om te gaan slapen.