De volgende dag bleek dat de zonneschade wat heftiger dan gedacht: het deed pijn, en flink ook. In eerste instantie waren we van plan om vandaag, de 24ste, naar het Svaneti-gebied in het Caucasusgebergte te vertrekken. Met een verbrande rug was een vierdaagse trektocht toch ineens een stuk minder aantrekkelijk.

img_3001

In de “Armenia”, ergens tussen Samtredia en Tblisi. 

Plan B: naar Armenië 

We besloten een plan B op te zetten: met de nachttrein naar Yerevan, de hoofdstad van Armenie, tot we genoeg hersteld waren om weer vier dagen in de volle zon te kunnen gaan lopen. Met name Tristan voelde zich belabberd.

Op naar het kantoor van de Georgische spoorwegen dus. Helaas kwam ik er daar achter dat ik alleen mijn eigen paspoort bij me had, waardoor ik geen tickets kon boeken. Terug naar het hostel dus, om vanaf daar onszelf met alle bagage in een Mashutka te proppen en naar het station te rijden. Voor 54 Lari per persoon (iets meer dan 20 euro) kregen we een enkeltje voor de dagelijkse trein van 15.35 uur naar Yerevan, derde klas.

En dat hebben we geweten. Ik kende het platzkart-systeem al van mijn eerdere treinreizen in Rusland: zestig bedden in een wagon, zonder coupedeuren. Rokende Russen op de gangen. Korte, harde bedden.

In Rusland was dat altijd prima te doen. Alles was goed onderhouden en schoon, het personeel vriendelijk. In de hitte van Georgië, en in een afgedankte Armeense wagon, was dat anders. Het ding piepte, kraakte en schudde, de lokomotief toeterde onophoudelijk. Er had airco moeten zijn, maar die deed het niet. Mogelijk omdat de boel verstopt zat met douanestikkers. Voor Tristan, die liggend op zijn bed er het beste van probeerde te maken, was het een hel.

Voor mij viel het wel mee, in eerste instantie. Ik keek mijn ogen uit: de trein reed langs de kust en dook daarna de bergen op. Er graasden koeien op de stationsporen, de trein reed langs klassieke Georgische huizen, versierd met metalen ornamenten die glansden in de zon, langs boomgaarden. We passeerden een ziekenhuis, waar stapels afgedankte sovjet-ambulances gras lagen te verzamelen. We reden lange tijd door een bergachtige kloof, waar het autoverkeer zich over modderwegen en over provisorische bruggen over een snelstromende rivier bewoog. Bij stops op het station prezen tandeloze oude vrouwtjes hun khachapuri en cola aan, terwijl de vele rokers het perron blauw zetten in de rook van hun goedkope sigaretten.

Maar na Tblisi, toen de zon al onder was, begon ik mijzelf ook goed belabberd te voelen. Rillingen, ko

Net na de paspoortcontrole gaf mijn lichaam de strijd op. Ik gaf over boven het stinkende toilet. Ik dronk wat water, probeerde weer te slapen, de stank van het toilet boeide mij al niet meer.

Een half uur later moest ik weer. En een half uur later weer, al kwam er toen niets anders uit dan de kleurstof van kauwgum. Knalgroen. De rest van de nacht bracht ik door het raam kijkend door: dat was de enige manier om wat aan de misselijkheid te doen. Zo zag ik hoe de trein zich tergend langzaam door de steppes van Armenië sleurde. Eindeloze droge vlaktes, met in de verte de besneeuwde toppen van bergen. Hier en daar een verdwaalde Lada, op een gebarsten weg onderweg naar een vervallen boerderij. Een typisch plaatje uit een ex-Sovietland, maar ik kon de kracht niet opbrengen er een foto van te maken. Ik zag de zon opkomen en viel weer kort in slaap, om weer wakker te worden van de misselijkheid.

dsc_0025

In Yerevan stonden Tristan en ik gebroken op het perron. We hadden onze dekens bij de conducteur afgeleverd en pinden 50.000 Dram, ongeveer 95 euro. Met de metro gingen we naar een hostel dat in de Lonely Planet stond, maar alleen nog als vakantiehuis verhuurd werd. Na een lastige onderhandeling met de eigenaar wilde hij ons er wel voor 32.000 Dram laten overnachten. No way. We besloten naar het Envoy Hostel te lopen, dat hopelijk nog wel bestond – en plek had.

Daar zakten we in een diepe slaap. Als we ons straks beter zouden voelen, dan konden we eindelijk Yerevan gaan verkennen.